Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 112 - 15.01.02 - BTW - Stopzetting van elke activiteit
btw beŽidiging

Editie nr 112 van 15 januari 2002

BTW - BeŽindigen van elke activiteit - niet overgedragen goederen

1. Probleemstelling

We onderzoeken de situatie op het vlak van B.T.W. van een belastingplichtige met recht op aftrek die:

  • elke economische activiteit beŽindigt
  • of nog slechts een activiteit uitoefent zonder recht op aftrek

en die, na alle liquidatieverrichtingen, een deel van het actief dat recht gaf op aftrek van B.T.W., overhoudt.

Opgemerkt dient te worden dat de hoedanigheid van belastingplichtige behouden blijft gedurende alle liquidatieverrichtingen.

Zo blijft een kleinhandelaar belastingplichtig voor de verkoop van zijn activa (koopwaar, materieel, meubilair, enz.).

Deze verkopen vallen dus automatisch binnen het toepassingsgebied van de B.T.W. De situaties die behandeld worden in dit artikel hebben betrekking op de handelingen na de vereffening.

Meer bepaald zal de situatie van de goederen bekeken worden, die een recht op aftrek van B.T.W. gaven en die de belastingplichtige niet wenst over te dragen.

Het ’onder zich hebben’ van deze goederen kan het gevolg zijn van de wil om deze te behouden.

Er zal eveneens worden ingegaan op de goederen die de belastingplichtige niet verkocht krijgt nadat hij daartoe nochtans alle moeite heeft gedaan.

Voor deze niet-verkochte goederen moet de belastingplichtige B.T.W. betalen.

Volgens de hiernavolgende beschouwingen betreft het:

  • ofwel een belastbare onttrekking;
  • ofwel een herziening van de aftrek.

2. Goederen die onder zich worden gehouden op het ogenblik van het verlies van de hoedanigheid van belastingplichtige.

2.1. Onttrekking - artikel 12, par. 1, 5de, W.B.T.W.

2.1.1. Wettelijke bepalingen

Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld,

  • het ’onder zich hebben’ van een goed,
  • door een belastingplichtige of zijn rechthebbenden,
  • ingeval hij de uitoefening van zijn economische activiteit beŽindigt,
  • wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan, recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de B.T.W. is ontstaan.

Deze gelijkstelling wordt een onttrekking genoemd.

2.1.2 Toepassingsgebied van de onttrekking

Zoals hierboven nader bepaald doet deze situatie zich voor wanneer een belastingplichtige afziet van de verkoop van goederen die voortkomen uit zijn activiteit en die een recht op aftrek deden ontstaan.

De onttrekking slaat op alle lichamelijke roerende goederen die men nog onder zich heeft op dat ogenblik.

Deze situatie is verschillend van de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling.

Want in dat geval zijn alle goederen al overgedragen zonder de toepassing van B.T.W. met toepassing van artikel 11 W.B.T.W.

Er is evenmin sprake van onttrekking wanneer de erfgenamen na het overlijden van de belastingplichtige diens activiteit voortzetten en de voorwaarden van artikel 11 W.B.T.W. vervuld zijn.

Om te kunnen spreken van onttrekking, volstaat het louter ’onder zich hebben’.

Dit ’onder zich hebben’ kan samengaan met een privť-bestemming. Het kan zich ook voordoen buiten elk privť-gebruik.

Het is voldoende dat de goederen nog bestaan.

Dat is in essentie de betekenis die men aan het begrip ’onder zich hebben’ moet geven.

De belastingplichtige die een goed onder zich zou hebben dat zelfs niet voor privť-doeleinden gebruikt zou kunnen worden, om gelijk welke reden, zal toch aan de regels inzake onttrekking onderworpen zijn.

Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn voor een toestel dat zou dienen om de radioactiviteit in de ruimte te meten of voor een machine die uitsluitend gebruikt zou worden voor het aanbrengen van wegmarkeringen, voor het materieel voor baggerwerken in de zee, enz.

2.1.3 Maatstaf van heffing (belastbare grondslag)

De onttrekking waarop artikel 12, par.1, 5de, W.B.T.W. betrekking heeft, wordt gelijkgesteld met een levering van goederen.

Bijgevolg betreft het uitgaande handeling voor de inning van de B.T.W. De onttrekking moet het voorwerp uitmaken van een document dat opgenomen moet worden in het boek voor uitgaande facturen.

De betaling van de B.T.W. gebeurt normalerwijze via de laatste periodieke aangifte die de belastingplichtige indient.

De grondslag waarop de B.T.W. moet geheven worden, wordt bepaald in artikel 33, 1e, W.B.T.W. Het betreft:

  • de aankoopprijs van de goederen of soortgelijke goederen
  • indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs.

Deze prijzen worden bepaald op het ogenblik van beŽindiging van de activiteit.

2.1.4. Tarief van de B.T.W.

Het tarief van de B.T.W. is het tarief dat op het ogenblik van de beŽindiging van de activiteit van toepassing is voor de verkoop van soortgelijke goederen.

Het tarief dat geldt op het ogenblik van de aftrek, is van geen belang.

2.1.5 Toepassingen

A. Koopwaar

Een kleinhandelaar in stoffen heeft op het ogenblik dat hij zijn hoedanigheid van belastingplichtige verliest, nog enkele artikelen onder zich die uit de mode zijn, er verlept uitzien en verkleurd zijn door de zon.

De maatstaf van heffing is gelijk aan de aankoopprijs die deze belastingplichtige zou moeten betalen om soortgelijke goederen te verwerven, rekening houdend met de staat waarin ze zich bevinden op het ogenblik van de beŽindiging van de activiteit.

Uiteraard is de waarde uitermate gering. Zij kan gelijkgesteld worden met de waarde van vodden.

De aankoopprijs die oorspronkelijk betaald werd, is van geen belang zelfs al was deze zeer hoog.

Als de onttrekking plaatsvond in 2000, bedraagt het tarief 21%.

B. Investeringen

Op het ogenblik dat een persoon zijn hoedanigheid van belastingplichtige verliest, heeft hij nog een computer die hij twee jaar voordien nieuw gekocht heeft.

Voor de maatstaf van heffing moet de aankoopprijs bepaald worden van computermateriaal van twee jaar oud, op het ogenblik van de beŽindiging van de activiteit.

Aangezien dit materiaal snel in waarde vermindert, is de maatstaf van heffing eveneens laag.

Het nemen van de boekhoudkundige restwaarde, komt helemaal niet overeen met de bepalingen inzake B.T.W. en zou wel eens buitensporig kunnen blijken te zijn, vergeleken met de maatstaf van heffing voor de onttrekking.

We herinneren eraan dat de onttrekking enkel slaat op lichamelijke roerende goederen.

Het begrip ’investering’ wordt verderop uitgewerkt bij de herzieningen van de aftrek.

C. Personenwagens

Het ’onder zich hebben’ betreft een luxewagen die twee jaar voordien aangekocht werd voor een prijs van 1.500.000 BEF, exclusief B.T.W.

Zoals gebruikelijk werd de aftrek beperkt tot de helft van de B.T.W. Het voertuig werd beschadigd in een ongeval en de verzekeringsmaatschappij heeft de belastingplichtige vergoed voor 700.000 BEF.

De belastingplichtige heeft besloten zijn voertuig niet te laten herstellen.

De maatstaf van heffing voor de onttrekking wordt bepaald aan de hand van de aankoopwaarde van dit voertuig op het ogenblik van de beŽindiging van de activiteit, rekening houdend met zijn ouderdom en zijn door ongeval beschadigde staat.

Men moet dus de prijs bepalen die deze belastingplichtige zou hebben moeten betalen om een dergelijk beschadigd voertuig te kopen.

De andere elementen blijven vreemd aan de toepassing van de B.T.W. (afschrijvingen, verzekeringsuitkeringen, enz.).

Laten we deze waarde schatten op 350.000 BEF, exclusief B.T.W.

Aangezien de initiŽle aftrek beperkt moest worden tot de helft van de B.T.W., is de maatstaf van heffing in dit geval ook gelijk aan de helft van de handelswaarde, namelijk 175.000 BEF.

Een B.T.W. van 21 % is verschuldigd op 175.000 BEF, namelijk 36.750 BEF.

Als de handelswaarde geschat is met inbegrip van B.T.W., bedraagt de B.T.W. 175.000 BEF X 21/121, namelijk 30.372 BEF.

D. Goederen die geen recht op aftrek deden ontstaan

Een persoon houdt na het verlies van zijn hoedanigheid van belastingplichtige zeer luxueus kantoormeubilair onder zich, dat hij het jaar voordien voor een grote som heeft aangekocht bij een antiquair, die toepassing maakte van het regime van belasting op de winstmarge.

Hoewel niet betwist wordt dat het meubilair een volledig beroepsmatig karakter had, kon de belastingplichtige geen B.T.W. aftrekken gelet op het bijzondere belastingregime.

Bijgevolg is er geen sprake van onttrekking en is er geen B.T.W. verschuldigd.

2.2 herziening van de aftrek - K.B. nr. 3, art. 6 tot 11

2.2.1. Wettelijke bepalingen

In hoofdzaak moet de belastingplichtige die:

  • deze hoedanigheid verliest
  • nog slechts activiteiten uitoefent die geen recht geven op aftrek van B.T.W.

overgaan tot de herziening van de aftrek:

  • voor de niet-verkochte bedrijfsmiddelen
  • als ze zich nog in het aan herziening onderworpen tijdvak bevinden.

en voor zover er nog geen onttrekking heeft plaatsgevonden.

2.2.2. Toepassingsgebied van de herziening van de aftrek

De herzieningen van de aftrek op het ogenblik dat een belastingplichtige zijn activiteit beŽindigt, vinden slechts plaats wanneer de bovenbedoelde onttrekking zich niet heeft voorgedaan.

Met andere woorden kan er geen sprake zijn van herziening wanneer we te maken hebben met onttrekking.

De regels inzake onttrekking worden eerst toegepast.

In de volgende gevallen kan geen onttrekking worden toegepast maar geldt de regeling inzake de herziening van de aftrek:

  • wanneer een andere zelfstandige activiteit die geen recht op aftrek doet ontstaan, werd aangevat of voortgezet na de volledige beŽindiging van de activiteit die een recht op aftrek deed ontstaan;
  • wanneer het een gebouw betreft (de onttrekking betreft slechts lichamelijke roerende goederen).

De herziening wordt steeds toegepast op het oorspronkelijk aftrekbare bedrag.

Op het ogenblik van het verlies van de hoedanigheid van belastingplichtige of in het geval van het stellen van handelingen die geen recht op aftrek doen ontstaan, hebben de herzieningen betrekking op bedrijfsmiddelen die op dat ogenblik niet overgedragen zijn.

Deze bedrijfsmiddelen kunnen zowel roerende goederen (die buiten het toepassingsgebied van de onttrekking vallen) als onroerende goederen zijn.

De bedrijfsmiddelen zijn de lichamelijke goederen die bestemd zijn om op een duurzame wijze gebruikt te worden als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen.

Verpakkingen, klein gereedschap, klein materieel, kantoorbehoeften waarvan de eenheidsprijs lager is dan 10.000 BEF, exclusief B.T.W., worden echter niet beschouwd als bedrijfsmiddelen.

2.2.3. Herzieningsbasis

De herziening wordt toegepast op de aftrekbare B.T.W.

Afhankelijk van de aard van het goed, heeft de herziening betrekking op een tijdvak van vijf, tien of vijftien jaar.

Als deze vijf-, tien- of vijftienjarige periode verstreken is, kan geen herziening van de aftrek meer plaatsvinden.

De onttrekking is daarentegen niet beperkt tot dit tijdvak.

Met andere woorden kan onttrekking zich nog steeds voordoen ongeacht de tijdsspanne die verstreken is sinds de aftrek.

In werkelijkheid worden voor de bepaling van de herzieningen van de aftrek de jaren geteld met inachtneming van de situatie op 31 december voor elk van die jaren.

Voorbeeld

Een bedrijfsmiddel dat gekocht werd in de loop van het jaar 1999, blijft onverkocht op het ogenblik van het verlies van de hoedanigheid van belastingplichtige op 31.12.2000.

Twee jaren zijn vervallen: 1999 en 2000.

Wanneer een beŽindiging zich voordoet op 31 december van een bepaald jaar, moet men aannemen dat de belastingplicht duurt tot middernacht.

Vanaf 1 januari van het volgende jaar is er geen belastingplicht meer.

In dit geval strekt het tijdvak waarin herziening mogelijk is, zich nog uit over de jaren 2001 en volgende.

A. Andere goederen dan gebouwen

Voor deze bedrijfsmiddelen is de aftrek aan herziening onderworpen gedurende een tijdsvak van vijf jaar.

Dit tijdsvak noemt men de vijfjarige herziening voor bedrijfsmiddelen. Zo is de aftrek voor computers, personenwagens, kantoormeubilair, gereedschap, voertuigen, enz. onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar voor zover hun aankoopprijs 10.000 BEF bereikt, exclusief B.T.W. per handelseenheid.

Het is van geen belang of deze goederen nieuw of tweedehands verkregen werden.

De duur en de wijze van boekhoudkundige en/of fiscale afschrijving worden hierbij nooit in overweging genomen.

B. Gebouwen

Voor de B.T.W. van handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting of de verkrijging van een gebouw, bedraagt het tijdvak van de herziening van de aftrek tien jaar of vijftien jaar.

Dit tijdvak noemt men de tienjarige of vijftienjarige herziening voor gebouwen.

Het tijdvak is tienjarig wanneer het recht op aftrek ontstaan is vůůr 1 januari 1996. Vanaf deze datum is de herziening vijftienjarig.

Het zijn de handelingen die betrekking hebben op de oprichting of de verkrijging van een gebouw waarvoor de tien- of vijftienjarige herziening geldt.

Dientengevolge blijven de verbouwingswerken onderworpen aan de vijfjarige herziening voor zover ze geen werken tot oprichting van een gebouw zijn.

2.2.4. Toepassingen

A. Lichamelijke roerende goederen

Een kleinhandelaar in algemene voedingswaren beŽindigt deze activiteit en wordt verzekeringsagent op 1 januari 2001.

Van zijn voorgaande activiteit blijven de volgende goederen over:

  • een computer die hij gekocht heeft voor 100.000 BEF, plus B.T.W., in 1998;
  • een personenwagen die hij gekocht heeft voor 500.000 BEF, exclusief B.T.W. in 1999.

Er kan geen sprake zijn van onttrekking omwille van de volgende redenen:

  • de persoon verliest zijn hoedanigheid van belastingplichtige niet: hij gaat over van het statuut van belastingplichtige met recht op aftrek naar dat van de op grond van artikel 44 W.B.T.W. vrijgestelde belastingplichtige;
  • er doet zich geen beŽindiging van de economische activiteit voor: het betreft een verandering in de aard van de activiteit, namelijk van de activiteit van kleinhandelaar in algemene voedingswaren naar die van verzekeringsagent.

De herziening van de aftrek voor bedrijfsmiddelen is dus van toepassing.

Laten we voor de verkrijging van de computer een aftrekbaar bedrag aannemen van 21.000 BEF.

De vijfjarige herziening heeft betrekking op de jaren waarvoor het goed niet meer bestemd is voor de activiteit van belastingplichtige met recht op aftrek, namelijk 2001 en 2002 (geen wijziging op 31 december 1998, 1999 en 2000).

De verschuldigde B.T.W. bedraagt 21.000 * 2/5, dus 8.400 BEF.

Voor de personenwagen wordt de herziening berekend op de in 1999 aftrekbare B.T.W.

Het tijdvak van de vijfjarige herziening strekt zich uit over de jaren 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003.

De aftrekbare B.T.W. bedroeg 500.000 * 21 % * Ĺ = 52.500 BEF.

De herziening heeft betrekking op een bedrag van 52.500 BEF * 3/5 = 31.500 BEF.

B. Gebouwen

Een belastingplichtige verliest deze hoedanigheid in september 2000.

Hij had een gebouw laten optrekken, volledig voor beroepsdoeleinden. De bouwwerken lopen over de jaren 1995 en 1996.

De B.T.W. die afgetrokken werd voor het jaar 1995 bedroeg 1.000.000 BEF.

De B.T.W. die afgetrokken werd voor het jaar 1996 was 750.000 BEF.

Het bedrag van 1.000.000 BEF is onderworpen aan een tienjarige herziening. Dat van 750.000 BEF valt onder de vijftienjarige herziening.

De verschuldigde B.T.W. bedraagt:

  • 1.000.000 * 5/10 (jaren 2000 tot 2004) = 500.000 BEF
  • 750.000 * 11/15 (jaren 2000 tot 2010) = 550.000 BEF

dus een totaal van 1.050.000 BEF.


Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00