Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Reglement van plichtenleer

KB - Reglement van Plichtenleer

De wettelijke basis

Het nader uitwerken, aanpassen of vervolledigen van de voorschriften van de plichtenleer, is een van de belangrijkste taken die de wetgever aan de Nationale Raad van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten BIBF heeft toevertrouwd.

De voorschriften inzake plichtenleer werden door de Nationale Raad goedgekeurd tijdens zijn zitting van 10 oktober 2013. Deze voorschriften werden op voordracht van de Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen bekrachtigd bij het in Ministerraad overlegd koninklijk besluit van 22 oktober 2013 (Belgisch Staatsblad van 21 november 2013). Het koninklijk besluit kan hierboven worden gedownload.

De filosofie van de plichtenleer

Samenvattend kan gesteld worden dat de plichtenleer zich steunt op volgende beginselen:

  • de erkende boekhouders, boekhouders-fiscalisten en stagiairs oefenen hun beroepswerkzaamheid uit in alle onafhankelijkheid en integriteit;
  • zij zijn verantwoordelijk voor hun beroepsdaden;
  • zij dienen het beroepsgeheim te bewaren;
  • zij dienen zorg te dragen voor hun beroepsvervolmaking;
  • zij aanvaarden het principe van de onverenigbaarheid van het beroep van boekhouder (-fiscalist) met elke handels- of ambachtelijke activiteit.

De tuchtstraffen

De erkende boekhouders (-fiscalisten) en stagiairs, van wie bewezen is dat zij aan hun plichten zijn tekort gekomen, zijn strafbaar met de volgende tuchtstraffen zoals voorzien in artikel 45/2 van de Wet van 22 april 1999 (zie hoofdstuk "Documentatie") :
- de waarschuwing;
- de berisping;
- de schorsing;
- de schrapping.

De beslissingen van de Kamers beperken zich strikt tot de tuchtmaatregelen. Zij hebben geen enkele bevoegdheid inzake het toewijzen van schadevergoedingen aan de benadeelden van beroepsfouten van een erkende boekhouder. Om schadevergoeding te eisen moet de benadeelde partij zich wenden tot de gewone rechtbanken.

De procedure

De procedure werd vastgelegd in art. 49 en volgende van het Koninklijk besluit van 27 november 1985. Zie hoofdstuk "Documentatie" om dit KB te downloaden.

Verzoek tot eerherstel

De mogelijkheid tot het indienen van eerherstel na een tuchtsanctie werd geregeld bij art. 61bis van het koninklijk besluit van 27 november 1985.

Alle minder zware tuchtstraffen dan de schorsing worden na het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de definitieve beslissing waarbij een tuchtstraf wordt uitgesproken, uitgewist, op voorwaarde dat het lid in die tussentijd geen schorsing noch enigerlei nieuwe sanctie opgelopen heeft.

Ieder lid van het Beroepsinstituut dat één of meer tuchtstraffen heeft opgelopen, welke niet automatisch zijn uitgewist na vijf jaar, mag bij de Kamer van Beroep een aanvraag tot eerherstel indienen. Aan deze aanvraag zijn enkele voorwaarden verbonden (zie KB)


Laatst gewijzigd op 08/06/2018 11:56:21
Navigatie
  • TERUG